HANDREIKING OMGAAN MET PESTEN

 

We plagen allemaal wel eens en ook worden we geplaagd. Dit gaat over en weer. Plagerijen zijn niet kwaad bedoeld; je kunt er (later) samen om lachen. Plagers en geplaagden zijn aan elkaar gewaagd. Het wordt anders als dit evenwicht verstoord wordt. Dan wordt plagen pesten. Bij pesten heeft de pester de overmacht. Hij of zij is lichamelijk sterker, gevatter en mondiger. Pesten gebeurt vaak in groepsverband. Pesters hebben – bewust of onbewust – de bedoeling het slachtoffer te kwetsen. Vaak wordt steeds dezelfde gepest. Pesten gebeurt niet één keer, maar voortdurend: elke dag, elke week, soms zelf jarenlang. Soms gebeurt het openlijk, maar net zo vaak ook in het geniep. De gepeste voelt zich machteloos en wordt steeds angstiger. Reden om zo snel mogelijk in te grijpen na een melding van pesten. Iedere melding dient serieus genomen te worden. Het melden is vaak een grote stap voor de gepeste (of toeschouwer)!

 

Context

Veel leerlingen op onze school zijn in het verleden zelf slachtoffer van pesten geweest; door achterblijvende prestaties en/ of opvallend gedrag stonden zij vaak op een negatieve manier in de aandacht. Dit gevoel van anders zijn/ minder kunnen ervaren zij niet alleen in de schoolse situatie maar ook thuis (vergeleken worden met broertjes of zusjes) en/ of op verenigingen (opvallende gedrag/ mindere motorische vaardigheden/ minder spelinzicht leidden tot opmerkingen van anderen). Het zelfbeeld heeft daardoor een deuk opgelopen, het zelfvertrouwen is verminderd.

Daarnaast hebben onze leerlingen moeite met sociale vaardigheden: het goed inschatten van sociale situaties, het juist “ontvangen” van gevoelens/ intonaties/ mimiek en het adequaat reageren in de sociale omgang met anderen. Het goede voorbeeld van thuis is niet altijd aanwezig. Onze leerlingen “beleven” en “interpreteren” een sociale situatie vaak anders. Tenslotte zijn hun verbale vaardigheden minder ontwikkeld dan die van leeftijdsgenoten.

 

Bij de aanpak van het pesten zal rekening gehouden moeten worden met bovenstaande context. Van belang is ook rekening te houden met de specifieke mogelijkheden én beperkingen van onze doelgroep: meerdere korte (3 minuten), concrete gesprekken hebben meer effect dan een lang corrigerend gesprek over normen en waarden in het algemeen.

Meer succesvol is het veel tijd en aandacht geven aan preventieve maatregelen. Denk daarbij aan activiteiten die het zelfbeeld en het zelfvertrouwen van de individuele leerling versterken, activiteiten die de groepsvorming versterken en vooral aan de eigen voorbeeldfunctie!

 

Bij het omgaan met pesten zijn drie gebieden te onderscheiden:

  • Preventie
  • Signaleren
  • Interveniëren

 

PREVENTIE

De belangrijkste stap in het bestrijden van pesten is het voorkomen van pesten. Door een sterk pedagogisch klimaat en duidelijke leefregels wordt de kans op pestgedrag verkleind. De volgende kernregels worden binnen de school gehanteerd:

  • Ik zorg dat een medeleerling zich veilig en prettig voelt in en om de school.
  • Ik leer en werk samen met anderen.
  • Ik houd er rekening mee dat ik niet hetzelfde ben als een medeleerling.
  • Ik heb zorg voor mijn medeleerling en blijf van zijn spullen af.
  • Ik los mijn problemen op met praten.

Iedereen in school moet zich bewust zijn van zijn voorbeeldfunctie: het respectvol met leerlingen en collega’s omgaan, nadrukkelijk waardering over verschillen tussen mensen uitspreken, zien én benoemen van positief/ gewenst gedrag van anderen, regelmatig verwijzen naar de leefregels en direct reageren op respectloze opmerkingen van de leerlingen. Regelmatig met de leerlingen activiteiten ondernemen die als doel hebben de groepsband te versterken werkt eveneens preventief.

 

SIGNALEREN

Iedere medewerker heeft een signalerende rol en wordt geacht alert te zijn op signalen van pestgedrag. Wanneer zij pesten waarnemen of redenen hebben om pesten te vermoeden, wordt er van hen verwacht dat zij hierop adequaat reageren en een melding doen bij de betreffende leermeester om hulp en overleg in gang te zetten. Signalen kunnen komen van de gepeste leerlingen, maar ook van klasgenoten, omstanders. De eerste stap is het bespreekbaar maken van het gesignaleerde gedrag.

 

INTERVENIËREN

Zodra signalen opgevangen zijn moet actie ondernomen worden. Omdat situaties en personen verschillen is het niet mogelijk een eenduidige aanpak af te spreken. De leermeester is de aangewezen persoon om acties in gang te zetten. Er zal altijd een gesprek plaatsvinden met betrokkenen. In dit gesprek worden afspraken gemaakt. Heel belangrijk is om op korte termijn én regelmatig terug te komen op de gemaakte afspraken: hoe loopt het, gaat het goed, welke afspraken hadden we ook alweer. Naast de gesprekken kan de leermeester de leerling vragen wat de leerlingen nog meer kunnen doen om beter te leren samenwerken; de leerling kan bijvoorbeeld samen een prestatie uitvoeren – leerdoel bij het uitvoeren van de prestatie is dan de samenwerking (voorbeeld van een prestatie: organiseer een feestelijke afsluiting met iets lekkers voor de hele klas) . Ook kunnen klasgenoten gevraagd worden de pestende en gepeste leerling te steunen in de gemaakte afspraken.  Indien het pesten niet afneemt en de mogelijkheden van de leermeester uitgeput zijn, roept de leermeester hulp in. Dat kan zijn van een collega (bijvoorbeeld een Rots & Water trainer), van de orthopedagoog, de school maatschappelijk werker of van de teamleider. Samen maken zij een plan van aanpak waarin tevens een tijdpad is opgenomen. Afspraken worden vastgelegd, zodat duidelijk is welke aanpak al geprobeerd is. Te allen tijde moet duidelijk zijn wie waar verantwoordelijk voor is.

 

MOGELIJKE INTERVENTIES

Hieronder volgt een opsomming van mogelijke interventies. Afhankelijk van de situatie kan gekozen worden voor een geschikte interventie, ook andere interventies zijn denkbaar.

 

  • Wanneer het pesten plaatsvindt in klassenverband, praat de leermeester eerst met de gepeste en later met de pester apart. Een leidraad voor deze gesprekken is opgenomen in het document. Vervolgens organiseert de leermeester een gesprek tussen beide leerlingen en probeert tot goede afspraken te komen.
  • De leermeester neemt contact op met de ouders van de pester en de gepeste en betrekt hen bij de oplossing.
  • De leermeester bespreekt direct een vervolgtraject indien het pesten zich herhaalt.
  • De leermeester praat met de klas. Dit is belangrijk in verband met het herstellen van de groepssfeer en om te benadrukken welke verantwoordelijkheid ieder groepslid heeft.
  • De leermeester vraagt de klas om ideeën aan te leveren over hoe de omgang met elkaar verbeterd kan worden.
  • De  leermeester ziet en benoemt met meer nadruk gewenst gedrag bij alle klasgenoten.
  • De leermeester werkt gerichter aan het versterken van het zelfvertrouwen van de leerling.
  • De leermeester organiseert meer activiteiten waarbij de verschillende kwaliteiten van de leerlingen belangrijk zijn.
  • De leermeester en de klas voeren activiteiten uit die de groepsvorming versterken (voor  hulp, ideeën en ondersteuning kan een collega en/ of orthopedagoog ingeschakeld worden).
  • Bij escalatie van het probleem overlegt de leermeester met de  teamleider, contactpersoon, orthopedagoog en/ of schoolmaatschappelijk werker. Hij overhandigt de teamleider het dossier met daarin de gebeurtenissen en de afspraken die zijn gemaakt. Tevens worden de ouders/verzorgers op de hoogte gesteld en zo nodig betrokken bij het vinden van een oplossing (afhankelijk van de situatie afspreken wie dat doet).
  • Bij klas overstijgend pesten kunnen de verschillende leermeesters samen het gesprek met de pester(s) en gepest(en)voeren.
  • De teamleider kan, in onderling overleg, de rol van de leermeester(s) overnemen bij escalatie van het pestgedrag en wanneer het pesten het klassenverband overstijgt.
  • De teamleider heeft zo nodig een gesprek met de gepeste en de pester apart of organiseert direct een gesprek tussen beiden.
  • In het contact met de gepeste wordt gekeken of hij bepaald gedrag vertoont, waardoor hij een gemakkelijk doelwit vormt voor pesters.
  • Zo nodig wordt geadviseerd, zowel aan de pester als de gepeste, hulp op vrijwillige basis door de orthopedagoog en/ of een externe instantie in te schakelen.
  • De orthopedagoog of schoolmaatschappelijk werkster bespreken de mogelijkheden tot hulp met de ouders.

Groepsinterventies

Op school zijn diverse materialen aanwezig om pesten bespreekbaar te maken in de groep. De orthopedagoge beschikt over een pestkwartet (welke rollen zijn er bij pesten te herkennen), diverse Dvd’s (waaronder een speelfilm waarin pesten centraal staat, maar ook documentaire waarbij de pesters geconfronteerd worden met de gevolgen van hun gedrag) en achtergrondinformatie. Daarnaast kan hulp gevraagd worden bij de collega’s die een speciale training gevolgd hebben en/ of bij collega’s die ervaring hebben met speciale trainingen op school.

Individuele interventies

In het contact met de pester is het doel drieledig, namelijk:

-           confronteren,

-           mogelijke achterliggende problematiek op tafel krijgen,

-           helderheid geven over het vervolgtraject bij herhaling van pesten.

Wanneer de pester opnieuw in pestgedrag vervalt, kan ervoor gekozen worden om de pester individueel een opdracht over pesten te laten maken. Het doel van de individuele opdracht is reflectie; indien een leerling deze vaardigheid minder beheerst is het raadzamer een praktische prestatie te laten uitvoeren, waarbij alleen succes volgt als er gebruik gemaakt wordt van de verschillende competenties van groepsleden. Indien haalbaar deze prestatie laten uitvoeren door de pester en gepeste samen met twee andere klasgenoten. Het doel van het uitvoeren van de prestatie is oog krijgen voor de kwaliteiten van elkaar. Belangrijk is dus de prestatie goed te begeleiden en na te bespreken.

Ook de gepeste kan gedrag vertonen dat het pesten aanmoedigt. Het is belangrijk dat hier aandacht aan geschonken wordt. Door middel van gesprekken, trainingen en opdrachten (indien nodig in overleg met de orthopedagoog) kan hulp geboden worden.

De rol van de orthopedagoog

  • Hij ondersteunt waar nodig leermeesters en teamleider. Hij biedt, in overleg met de teamleider, op vrijwillige basis individuele begeleiding aan de pester en de gepeste.
  • Hij biedt, in overleg met de teamleider, kleinere trainingen aan bij specifieke hulpvragen, zoals bijvoorbeeld een sociale vaardigheidstraining.
  • Hij verwijst naar een externe sociaal-emotionele training.
  • Hij kan waar nodig een inbreng hebben tijdens de bespreking met de klas.

LEIDRAAD VOOR EEN GESPREK MET DE GEPESTE LEERLING

Feiten

• Klopt het dat je gepest wordt? (h)erkenning van het probleem

• Door wie word je gepest? (doorvragen: zijn er nog meer?)

• Waar word je gepest? (doorvragen: zijn er nog meer plekken?)

• Hoe vaak word je gepest?

• Hoe lang speelt het pesten al?

• Weten je ouders of andere personen dat je gepest wordt?

• Wat heb je zelf tot nu toe aan het pesten proberen te doen?

• Zijn er jongeren die jou wel eens proberen te helpen?

• Wat wil je dat er nu gebeurt; wat wil je bereiken?

• Bespreek samen met de leerling wat hij/zij kan doen tegen het pesten en bekijk waar de leerling aan wil werken om de situatie te verbeteren. Let daarbij op de volgende aspecten:

- Hoe communiceert de leerling met anderen?

- Welke lichaamstaal speelt een rol?

- Hoe gaat de leerling om met zijn gevoelens en hoe maakt hij deze kenbaar aan anderen?

- Heeft de leerling genoeg vaardigheden om weerbaarder gedrag te tonen naar de pester?

LEIDRAAD VOOR EEN GESPREK MET EEN LEERLING DIE PEST

Alvorens er een gesprek met de pester wordt gehouden heeft degene die het gesprek aangaat zich er van overtuigd dat degene met wie het gesprek plaatsvindt inderdaad schuldig is aan het gemelde gedrag.

Het doel van dit gesprek is drieledig:

• De leerling confronteren met zijn gedrag en de pijnlijke gevolgen hiervan.

• Achterliggende oorzaken boven tafel proberen te krijgen. Wat is de winst voor de pester: status, vrienden? Welke alternatieven zijn er om die winst te behouden?

 • Het schetsen van de stappen die volgen wanneer het pestgedrag niet stopt.

Confronteren

Confronteren en kritiek geven is niet hetzelfde. Confronteren is:

  • probleemgericht en richt zich op gedrag wat waar te nemen is. Zodra we interpretaties gaan geven aan gedrag, wordt het persoonsgericht, bijvoorbeeld: je hebt cola in de tas van Piet laten lopen. Dat doe je zeker omdat je graag de lolligste bent! Zodra we gaan interpreteren reageren we een gevoel van frustratie op die ander af en zijn we gestopt met confronteren en begonnen met kritiseren.
  • relatiegericht. Je bent heel duidelijk op de inhoud, in wat je wilt en niet wilt maar met behoud van de relatie, bijvoorbeeld. Ik vind dat je heel erg gemeen doet tegen haar en ik wil dat je daarmee ophoudt. Zeg nooit: Je bent heel gemeen. Je wilt duidelijk verder met de jongere. Kritiek op de persoon voelt als een beschuldiging/afwijzing. Eigenlijk zeg je daarmee dat de pester een waardeloos mens is.
  • specifiek blijven. Je benoemt de situatie waar het over gaat en vermijdt woorden als altijd, vaak en meestal. Kritiek wordt vaak algemeen.
  • veranderingsgericht. Je stelt zaken vast en gaat vervolgens inventariseren hoe het anders kan.

Wees duidelijk dat pestgedrag niet kan en moet stoppen.